Nederland Vlaanderen, 0-0
De wedstrijd is begonnen. Nederland en Vlaanderen vernieuwen ongeveer gelijktijdig het curriculum. De Nederlandse Anna Bosman en Peter Langerak waren lid van de Vlaamse expertcommissie. Bernard Teunis regisseert het proces in Nederland als manager actualisatie curriculum bij SLO. Wie gaat er straks scoren met de beste resultaten?
De definitieve conceptkerndoelen zijn eind november aan het Nederlandse ministerie van Onderwijs aangeboden. SLO kreeg begin december groen licht van de Tweede Kamer om het curriculumvernieuwingsproces te voltooien. In Vlaanderen publiceerde onderwijsminister Zuhal Demir de zogenoemde wettelijke minimumdoelen al in april 2025.
Deze werden in slechts vier maanden opgesteld door een kleine commissie met bekende namen. Daniel Muijs (voorzitter en bijzonder hoogleraar in Belfast), Tim Surma (auteur van Wijze lessen en directeur van het Vlaamse Expertisecentrum Onderwijs en Leren), en dus Bosman. Langerak, onderzoeker bij het Nederlands Mathematisch Instituut, zat in het vakexpertteam wiskunde.
De commissie verzamelde input van zo’n 70 vakexperts en destilleerde daar een minimale kennisbasis uit. Ongekend snel en vooral ontzettend concreet. Zo luidt één van de formuleringen: ‘Kleuters weten hoe mensen tijdens de oudheid overleefden en samenleefden.’ In de nadere omschrijving komt onder meer de ontwikkeling van het schrift ter sprake, inclusief hiërogliefen, papyrus en de Steen van Rosetta, maar ook de Nijl en de piramides van Gizeh.
Het duurde even, maar inmiddels is er in Vlaanderen protest hoorbaar. Kleuters en de Nijl? Is dat niet wat veel gevraagd? De federatie van Steinerscholen (antroposofisch) vecht de minimumdoelen aan bij het Vlaamse Grondwettelijk Hof. ‘Deze nieuwe minimumdoelen steunen op een kennisrijk curriculum’, legt Angelo Maenhaut uit aan VRT NWS. Hij is adviseur van de federatie van Steinerscholen. ‘Daar hebben wij op zich geen enkel probleem mee […]. Maar wij doen dat echt op een andere manier. Wij gaan kijken naar de ontwikkeling van een kind. Wat is de leefwereld van een kind en daar gaan wij onze leerstof op enten. Nu worden er 2 momenten ingebouwd: in de 3e kleuterklas en in het 4e leerjaar. Daardoor worden wij verplicht onze opbouw aan te passen en dat schendt volgens ons de vrijheid van onderwijs.’
Sommigen stellen de onafhankelijkheid van de commissie zelf ter discussie. De commissievoorzitter was verbonden aan particulier onderwijsinstituut Academica University of Applied Sciences. Audit Vlaanderen is inmiddels een onderzoek gestart rond de aanbesteding van een expertisepunt, dat scholen zou helpen met de implementatie van de minimumdoelen. De minister zou zich mogelijk te veel hebben laten leiden door haar voorkeur voor de standpunten van Tim Surma.
Vertaalslag
Het zal allemaal vast met een sisser aflopen, maar het laat wel zien hoe gevoelig curriculumherziening is. In die zin is de kritiek op de commissie-Muijs vergelijkbaar met die op SLO, al komt die kritiek uit een andere hoek. In Nederland krijgt het landelijk expertisecentrum voor het curriculum namelijk het verwijt dat de kerndoelen te globaal zijn, en uiteindelijk te weinig richtgevend. Hadden we hier maar minimumdoelen, vindt Langerak. Dan weten leraren tenminste waar ze aan toe zijn.
Tijdens een debatavond in de Amsterdamse Balie eind november 2025 weet Langerak zijn bezwaren welluidend te verwoorden. ‘De nieuwe kerndoelen bieden vooral materiaal voor praatsessies en studiegroepen, maar leraren hebben er geen houvast aan om hun verantwoordelijkheid in te vullen’, zegt hij. ‘SLO levert taal, maar 130.000 leraren moeten een vertaalslag gaan maken van een origineel dat niet goed genoeg is. Dat is een enorme klus.’
Deze kerndoelen zijn samen met leerkrachten en experts ontwikkeld, verweert manager curriculumherziening bij SLO Bernard Teunis. ‘Ze maken inderdaad nog geen goed onderwijs, maar er zitten wel degelijk doelen in. Het is echt niet vrijheid-blijheid. In handen van goede leerkrachten zijn deze kerndoelen een instrument om pedagogisch-didactische doelen aan te koppelen. En SLO is druk bezig met het ontwikkelen van concrete leerlijnen waar leerkrachten houvast aan kunnen hebben.’

‘Fyra’ van het onderwijs
Simpel gezegd stuurt Nederland met losse hand en veel inspiratie, terwijl Vlaanderen kiest voor wettelijk vastleggen. ‘Maar vaagheid is een keuze’, zegt Langerak, ‘en daar bewijs je scholen geen dienst mee. Leraren zijn al overbelast. Er zijn zoveel studiedagen nodig om de kerndoelen concreet te maken, en dat gaat simpelweg niet gebeuren. Vergelijk het met de hogesnelheidstrein Fyra: de ontwikkeling duurde eindeloos en kostte bakken met geld, en toen de trein eindelijk ging rijden, vielen de deuren eruit.’ [De Fyra was zo’n mislukking dat hij uiteindelijk door de NS werd omgedoopt tot Intercity Direct, red.]
Schoolleider Elize de Jong van Onze Amsterdamse School (PO) onderschrijft de zorgen van Langerak: ‘Ik vind autonomie van de leerkracht ontzettend belangrijk, maar die staat ook al de hele dag voor de klas. Om grip op de kerndoelen te krijgen, zou het fijn zijn als ze concreter waren. Het kost tijd om ze om te zetten in een samenhangend curriculum, tijd waarin leerkrachten ook lezen, rekenen en wereldoriëntatie moeten geven. Het zou daarom fijn zijn als een leerkracht weet: dit moet ik gewoon doen.’
Overschat leerkrachten ook niet, zegt De Jong. ‘Als alles meezit, leidt samen een curriculum ontwikkelen tot goed onderwijs. Maar in Nederland bestaan veel misvattingen over wat goed onderwijs is. Ook wij hebben een periode leerlingen in groep 1 en 2 onvoldoende voorbereid op het leesonderwijs in groep 3 – met de beste bedoelingen.’
In Vlaanderen is er nu gewoon een norm geformuleerd hoeveel letters een kind moet kennen eind groep 2. De Jong: ‘Je moet oppassen dat je curriculum niet te nauw wordt natuurlijk, maar er is mijns inziens niets mis mee om een keer uit te spreken wat wel goed is.’
Teunis, die overigens net als Langerak voor de klas heeft gestaan, is voorzichtiger. ‘Pas alsjeblieft op met het formuleren van minimumdoelen, want het risico is dat scholen zich enkel daarop richten.’ Onzin, vindt Bosman: ‘De minimumdoelen in Vlaanderen zijn immers hartstikke hoog’.
Maar let ook op, zegt Teunis. Careful what you wish for, zoals de Engelsen zeggen: goedbedoelde wensen kunnen onbedoelde gevolgen hebben. ‘Als je minimumdoelen in de wet zet, kan de volgende minister zomaar besluiten daar een centrale toets aan te koppelen.’ De toetsdruk in Nederland is al hoog, blijkt onder meer uit protestbewegingen als Stop de meetcultuur. Bovendien verloopt de ontwikkeling van kinderen grillig, zegt Teunis. ‘In Vlaanderen staan nu schotten in de wet voor groep 4 en drempels bij groep 6. Moet je dat willen?’ Teunis ziet nog een risico: een curriculum dat zo sterk gestuurd wordt door een minister met concrete minimumdoelen, lokt misschien uit dat een nieuwe bewindspersoon zijn eigen stempel op het onderwijs wil drukken door iets aan de lijst toe te voegen.

Nu is het aantal kerndoelen al groot, vindt De Jong. ‘Het is bijvoorbeeld fijn dat er kerndoelen zijn voor burgerschap en digitale geletterdheid. Tot nu toe moesten scholen dat zelf uitzoeken. Maar de schooldag is niet langer geworden. Hoe moeten al die doelen dan worden gerealiseerd?’ Teunis relativeert: ‘Digitale geletterdheid is door de politiek tot basisvaardigheid bestempeld. Een apart kader eromheen zetten is riskant, want wat hoort bij de basis en wat niet? Tegelijkertijd is digitalisering de grootste verandering die op ons afkomt en hoort die dus zeker op school thuis, liefst in samenhang met andere vakken. Dat digitale geletterdheid nu een apart kerndoel is, komt vooral doordat het nieuw is. Wij zijn bezig met de leerlijnen en het OCW zal leerkrachten straks moeten ondersteunen bij professionalisering op dit vlak.’
Referentieniveaus
Onderwijs moet beter, daar is iedereen het wel over eens. Leerlijnen moeten uitkomst bieden, volgens Teunis, maar Langerak ziet meer heil in referentieniveaus als toetsbare leerstandaarden voor onderwijsprestaties, ‘omdat je dan kan zien welke scholen extra ondersteuning nodig hebben en je kan achterhalen wat goede scholen doen’. Eerder schreef hij daarover in de Liniaal en in Volgens Bartjens.
De referentieniveaus (1F en 1S voor taal en rekenen) werden in 2010 wettelijk vastgelegd naast de kerndoelen. De inspectie neemt ze sinds 2014 mee in de beoordeling van het Nederlandse onderwijs, via rapportages in De Staat van het Onderwijs, en sinds 2023 in de beoordeling van individuele scholen. In Vlaanderen worden pas sinds vorig jaar verplichte toetsen afgenomen (in groep 6 en vanaf 2026 ook in groep 8). Toetsing heeft in Vlaanderen dus een ander gewicht dan in Nederland.
‘Maar even praktisch’, zegt De Jong van Onze Amsterdamse School, ‘de meeste leerkrachten kennen die referentieniveaus niet, hoor. Ik heb ze als schoolleider weleens bekeken, en ik weet dat mijn leerlingen op 1F moeten uitstromen, maar ik kan er geen onderwijs van maken.’
Teunis lijkt dat in ieder geval begrepen te hebben. In een interview met SLO begin november zei hij al: ‘Uiteindelijk is ons werk een papieren exercitie. Het valt of staat met de leraar of schoolleider die ermee aan de slag gaat. Mijn hoop is dat dit moment van actualisatie wordt aangegrepen om in schoolteams de inhoud te bespreken: wat betekent dit voor ons? Waar moeten we in professionaliseren? Dat gesprek is de echte winst.’
Wie er gelijk gaat krijgen, Vlaanderen of Nederland? Voorlopig lijkt de wedstrijd onbeslist.

Anna Bosman: NL staat met 1-0 achter
Anna Bosman was lid van de expertcommissie die de Vlaamse minimumdoelen vaststelde. Ze is hoogleraar Pedagogiek aan de Radboud Universiteit en startte in 2017 de academische pabo in Nijmegen.
‘De overheid moet concreet vaststellen wat kinderen moeten kunnen en kennen aan het eind van de basisschool en dat ook toetsen met de verplichte doorstroomtoets. Dus ook de zaakvakken. Als we met elkaar willen blijven praten in Nederland, hebben we een gedeelde kennisbasis nodig. Dit heeft niets te maken met of je nu islamiet, atheïst of humanist bent. Noem het Hirsch op z’n Nederlands. Als we dat niet doen, blijft iedereen in zijn eigen bubbel.
Waarom eerst vage kerndoelen en straks pas een dik boek met leerlijnen? Waarom niet meteen alles vastleggen wat geleerd moet worden? Leraren in het basisonderwijs vragen: “Wat moet ik leerlingen leren?” Waarom zouden zij dat zelf moeten verzinnen? Leraren zijn geen curriculummakers. Dat moet je ook niet van ze verwachten, het is een ander beroep. Ze hebben onvoldoende kennis over alle vakgebieden om leerlijnen te maken. De Nederlandse overheid gaat over het “wat” en “dat” van onderwijs. OCW moet SLO een andere opdracht geven: ontwikkel een fatsoenlijk curriculum samen met inhoudelijke experts en met didactici. Didactiek is daarin niet vrijblijvend; je wilt een bepaalde volgorde, want bij rekenen en taal zit er een kennisopbouw in. Door die opbouw vast te leggen – begin met het spellen van klankzuivere woorden (eenduidig te spellen) en eindig met woorden als “maait” en “geeuwt” – kun je goed vaststellen wat er aan het einde van groep 3 geleerd moet zijn wat spelling betreft.

Hoe je dat onderwijst, mag je zelf weten, al ga je op je kop staan. Gelukkig weten de meeste leraren dat er zelfs voor de didactiek best practices zijn.
Dat de ontwikkeling van kinderen grillig zou zijn, is echt flauwekul. Als jij goed lesgeeft, is er niks grilligs aan en kunnen vrijwel alle leerlingen eind groep 3 lezen. Die zogenoemde schotten eind groep 4 en eind groep 6 in Vlaanderen? Dat vind ik tendentieus. Het is niet zo dat een leerling niet naar de volgende groep kan als het 90 procent van die doelen haalt. Die schotten zorgen er wel voor dat een leraar denkt: ik ga mijn best doen.
Je moet er als leraar keihard aan trekken om leerlingen mee te nemen. Veel zittenblijvers zijn het gevolg van te laat ingrijpen door leerkrachten, waardoor de achterstand niet meer ingehaald kan worden. Zo ontstaat de situatie dat er leerlingen mijlenver voor én leerlingen mijlenver achter lopen. Naarmate ze jonger zijn, zijn de verschillen tussen kinderen groter. De invloed van de ouders is dan nog maximaal, en dus minimaal voor kinderen die weinig meekrijgen van huis. Dáárom ben jij als leraar belangrijk: als jíj niet ingrijpt, blijven die verschillen groot.