Over leren, presteren en pedagogisch stimuleren
Hebben leraren die veel bezig zijn met leren en presteren geen oog voor pedagogiek? Die indruk wordt nogal eens gewekt door leraren die veel bezig zijn met welzijn en motivatie. Maar dat is natuurlijk een valse conclusie. Alle leraren hebben een pedagogische opvatting, alleen kan die tussen leraren natuurlijk wel verschillen.
Als ik mijn dochters vraag wat ze willen eten vanavond, dan weten jullie het antwoord al. En als ik ze vraag wat ze daarna willen doen, ook. Daarom vraag ik ze het niet dagelijks, maar zet ik ook eens broccoli op tafel en een uitdagend gezelschapsspel. Leuk vinden ze dat (nog) niet, maar alleen omdat ík doorzet, leren ze het toch waarderen. Natuurlijk gaat dat bij het gezelschapsspel een stuk sneller dan bij de broccoli, maar elke naar binnen gewerkte stronk is er toch één.
We doen vaak alsof het woord ‘opvoeden’ voor iedereen hetzelfde betekent, maar dat is niet zo. Opvoeden kan voor de één betekenen dat je zoveel mogelijk tegemoetkomt aan de wensen van je kinderen, terwijl het voor de ander betekent dat je daar juist regelmatig weerstand tegen biedt. In en rond de school zie je de verschillen dagelijks. Een simpel voorbeeld: wat doen kinderen als ze hun ouders na schooltijd tegemoet lopen? Gooien ze hun schooltas in hun armen? Of laten de ouders hun kinderen de tas zelf dragen?
De verschillen in opvoeding worden al op jonge leeftijd zichtbaar in concreet gedrag. Ik herinner me de eerste kindjes uit de kleuterklas die bij ons thuis kwamen spelen. Aan de lunchtafel keken ze passief voor zich uit, terwijl mijn dochters al druk bezig waren met hun boterham. Wat bleek? Hun moeder smeerde hun boterham altijd voor ze. Tja, en dan kun je het zelf nog niet. Kijk, ik vond het ook geen pretje om mijn kinderen te leren het zelf te doen. Het kostte moeite, duurde lang, en alles zat onder. Maar uiteindelijk konden ze het wel en daar waren ze trots op. Iets nieuws leren is moeilijk, maar geeft gelukkig voldoening als het lukt.
Ik stond eens als invaller in groep 4. Een leerling van wie meteen duidelijk was dat iedereen lage verwachtingen van hem had, moest wat opschrijven, maar leek ongemotiveerd. Ik wierp een blik op zijn schrift en zijn handschrift was haast onleesbaar. Ik spoorde hem stevig aan: ‘Kom op, jongen, schrijven! En tegen die lijntjes aan, ze staan er niet voor niks.’ Ik bleef er even bij staan. ‘Hop, beginnen!’ Langzaam maar zeker ging hij van start. ‘Tegen de lijntjes’, zei ik, ‘zo moeilijk is dat niet’. Het kostte hem duidelijk moeite, maar met mijn aansporing ging het al snel beter. ‘Ik loop even een rondje, en als ik terugkom, dan wil ik dat je deze zin af hebt. Doorzetten jongen, je kan het toch?!’
Na mijn rondje kwam ik terug. Hij keek me glunderend aan – hij had het af en voor het eerst vrijwel ál zijn letters tussen de lijntjes gekregen. Ik vroeg de aandacht van de hele klas: ‘Jongens en meisjes, ik wil even een goed voorbeeld laten zien. Kijk eens hier. Zo wil ik het hebben. Geef hem een applaus.’ Ik zag hem kijken en denken: voor deze man wil ik wel werken. Een kind iets leren of helpen presteren: heel pedagogisch!