Rekenkloof jongens - meisjes zichtbaar tot einde basisschool
Meisjes lopen wat in, maar halen niet in.
Een eerder artikel in de Liniaal liet zien dat jongens aan het einde van groep 3 gemiddeld hoger scoren op rekenen-wiskunde dan meisjes, en dat deze kloof de afgelopen jaren groter is geworden. Maar halen meisjes deze achterstand later in de basisschooltijd nog in? Nieuwe analyses maken duidelijk dat dit niet het geval is.
Van vroege achterstand naar structureel verschil
In dit artikel breiden we de analyse uit van eind groep 3 tot en met eind groep 7, op basis van gegevens uit het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO). Het gaat om 1.814.360 leerlingen over zes schooljaren (2018/19 – 2023/24) van groep 3 tot en met 7. De doorstroomtoets in groep 8 valt buiten deze dataset, omdat die niet meer tot het leerlingvolgsysteem behoort en niet in de NCO-data is opgenomen. De centrale vraag is hoe de rekenkloof die in groep 3 zichtbaar wordt, zich verder in de basisschooltijd ontwikkelt: blijft de kloof bestaan? We gebruiken de vaardigheidsscores zoals die in de NCO-data zijn gerapporteerd. Dit artikel is beschrijvend: we tonen de geobserveerde verschillen zoals leraren, scholen en de Inspectie die ook zien. Verklaringen voor het verschil (zoals toetskenmerken, klaspraktijk of achtergrondkenmerken) vallen buiten deze analyse.
Verschillen per leerjaar
In de grafieken is per groep de rekenkloof in de afgelopen zes jaren in beeld gebracht. Zwart: totaalgemiddelde per groep. Blauw: gemiddelde vaardigheidsscore van jongens. Rood: gemiddelde vaardigheidsscore van meisjes. Oranje: indicatieve 1S-route (theoretische normlijn richting 1S eind basisschool). Let op: in groep 3, 4 en 5 is deze oranje stippellijn uitsluitend bedoeld ter oriëntatie; in de praktijk wordt 1S vanaf groep 6 expliciet gebruikt. De normlijn is in elke grafiek op dezelfde relatieve positie geplaatst om patronen tussen groepen visueel te kunnen vergelijken.

De kloof tussen jongens en meisjes is in groep 3 duidelijk zichtbaar. Over de zes schooljaren scoren jongens structureel hoger, met een gemiddelde score van 149 punten tegenover 139 bij meisjes. Dit verschil is de afgelopen jaren toegenomen van 7,8 punten in 2018 tot 13,5 punten in 2023.
Groep 4 – achterstand neemt toe
Jongens hebben de afgelopen jaren in groep 4 een sterke stijging laten zien, van 192 in 2018 naar 197 in 2023. Meisjes behaalden in 2018 en in 2023 een gemiddelde score van 182 punten. De verschillen nemen dus verder toe tot ruim 15 punten in 2023, en deze toename komt doordat jongens gemiddeld beter zijn gaan presteren.
Groep 5 – verschil blijft bestaan
De kloof blijft in groep 5 ook bestaan: een gemiddeld verschil van 9,8 punten in 2018, oplopend tot 13,7 punten in 2023. Over zes schooljaren behalen jongens in groep 5 gemiddeld 221 punten, terwijl meisjes blijven steken op 209 punten.
Groep 6 – kloof kleiner maar nog aanwezig
Het verschil is in groep 6 kleiner, maar nog steeds duidelijk: tussen 7,5 en 9,7 punten in de periode 2018–2023. Jongens behalen gemiddeld 243 punten, meisjes 234 punten.
Groep 7 – verschil niet ingehaald
Ook in de bovenbouw verdwijnt de kloof niet. Het verschil varieert tussen 6,7 en 8,4 punten, waarbij jongens de afgelopen zes jaren gemiddeld 264,8 punten scoren en meisjes 257,3 punten.
Ontwikkeling door de tijd
De analyse laat zien dat meisjes gemiddeld genomen hun achterstand op jongens in geen enkel leerjaar inhalen. In de onderbouw (groep 3–4) wordt het verschil groter; vanaf groep 5 stabiliseert het op een lager maar blijvend niveau. Beide groepen bewegen mee met landelijke trends, maar de afstand tussen jongens en meisjes blijft zichtbaar.
Relatie met de 1S-norm
In de figuren is ook een indicatieve 1S-route opgenomen: een theoretische groeilijn richting het referentieniveau 1S aan het eind van de basisschool. 1S geldt als minimumniveau voor een goede start in het voortgezet onderwijs, voor richting vmbo g-t, havo en vwo. In groep 3 en 4 lijken de jongens gemiddeld nog boven de indicatie ‘op weg naar 1S’ te zitten. Maar vanaf eind groep 5 zitten de scores van jongens daar gemiddeld ook onder. Meisjes zitten gemiddeld vanaf groep 3 onder deze indicatielijn. Dit betekent dat meisjes gemiddeld verder verwijderd zijn van het referentieniveau dat noodzakelijk is om goed voorbereid door te stromen naar het voortgezet onderwijs.
Onderzoek suggereert dat jongens en meisjes niet altijd in dezelfde mate profiteren van rekenonderwijs. Zo laten Golsteyn en Schils (2014) zien dat jongens in groep 8 gemiddeld hoger scoren op rekenen. Dit verschil kan niet verklaard worden door intelligentie, maar hangt vooral samen met zogenoemde non-cognitieve kenmerken zoals assertiviteit, het durven geven van je mening en prestatiedrang, en de manier waarop daar per vak in de klas op gereageerd wordt. De manier waarop rekenlessen in de praktijk worden gegeven, lijkt beter aan te sluiten bij gemiddelde ‘jongenskenmerken’. Eerder concludeerden Van den Heuvel- Panhuizen en Vermeer in het MOOJ-onderzoek (1999) al dat de hogere Cito-scores voor jongens op rekenen afhankelijk waren van het type rekenopgave: meisjes presteerden beter op rekenopgaven waarbij nauwkeurig gerekend moet worden en waarvoor maar één rekenprocedure bestaat, vergeleken met opgaven met handige strategieën of waarvoor meer onderliggende kennis vereist is, die jongens meer aan lijken te spreken. De auteurs wijzen erop dat minder nadruk op vaste rekenprocedures en het werken met open problemen in rijke contexten (wezenlijke kenmerken van realistisch rekenen) op gespannen voet kunnen staan met het bieden van een ‘sociaal en cognitief veilige leeromgeving’. Daarnaast stellen Van den Heuvel-Panhuizen en Vermeer dat niet alleen de manier waarop realistisch rekenonderwijs is ingevoerd, maar ook de aard ervan ertoe kan bijdragen dat het ‘niet het meest optimale onderwijs voor meisjes is’ (1999, p. 180). Voor scholen roept dit vooral een vraag op: sluiten onze rekenlessen even goed aan bij de sterke kanten van meisjes als die van jongens?
Eind vorig jaar bleek uit onderzoek van DUO en de Onderwijsinspectie dat meisjes vaker een lager schooladvies krijgen na de basisschool dan jongens bij eenzelfde resultaat op de doorstroomtoets. In de DUO-analyse lijkt het alsof meisjes worden benadeeld bij het schooladvies: jongens hebben, bij ogenschijnlijk gelijke basisvaardigheidscategorieën, ongeveer 4,9 procentpunt meer kans op een hoger advies. Het is echter mogelijk dat het hier niet enkel om een verschil in advies van de leerkracht gaat bij ‘gelijke basisvaardigheid’, maar dat hier een onderliggend verschil in vaardigheidsscores aan ten grondslag ligt, zoals uit de NCO-data blijkt. Voor het onderzoek van DUO wordt namelijk niet gewerkt met vaardigheidsscores, maar met een grovere indeling in drie niveaus (<1F, 1F, 1S/2F), terwijl de 1F-categorie een brede spreiding in vaardigheidsscores bevat. Het is aannemelijk dat jongens binnen die ‘grove 1F-groep’ gemiddeld hogere vaardigheidsscores hebben dan meisjes. Leraren die een kansrijk advies willen geven, zien dat verschil terug in de doorstroomtoets en waarschijnlijk ook in de eerdere leerlingvolgsysteemtoetsen. Ze geven jongens dan vaker het voordeel van de twijfel, met de gegronde reden dat jongens gemiddeld vaak hoger scoren. Het ogenschijnlijke nadeel voor meisjes in de DUO-cijfers kan daarmee voor een belangrijk deel verklaard worden door verschillen in rekenscores binnen de brede categorie 1F; verschillen die in het DUO-model niet zichtbaar zijn. Dit maakt de uitkomst echter niet minder problematisch. Het rekenniveau blijft over de hele linie laag, en nog sterker bij meisjes. Dat wijst erop dat het Nederlandse rekenonderwijs er niet goed voor staat en er gemiddeld minder goed in slaagt om juist meisjes tot het gewenste rekenniveau te brengen. Hierdoor zitten zij op grotere schaal in de ‘1F-twijfelzone’ en daar krijgen ze minder vaak een kansrijk advies.
Gerichte ondersteuning basisvaardigheden
In groep 3 en 4 laten jongens de laatste jaren een grotere groei in vaardigheidsscores zien dan meisjes. Hierbij kan de vraag gesteld worden of zij wellicht meer dan meisjes profiteren van extra aandacht en financiële ondersteuning van de overheid ter verbetering van de basisvaardigheden. Een betere bewustwording van het verschil tussen jongens en meisjes zou scholen kunnen helpen deze extra hulp gerichter in te zetten.
Verschil jongens-meisjes op doorstroomtoets
De NCO-data bestaan zoals gezegd uit gegevens over zes schooljaren (2018/19 - 2023/24). Met beschikbare gegevens van de doorstroomtoets in groep 8 uit drie van deze jaren (2021/22 - 2023/24). kan een vergelijking worden gemaakt met de NCO-data. In Figuur 2 is te zien dat binnen de referentieniveaus 1S en ≥ 1F eenzelfde verschil tussen jongens en meisjes bestaat: jongens scoren gemiddeld hoger.
Conclusie en implicaties
De analyses laten zien dat de rekenkloof tussen jongens en meisjes vanaf groep 3 aanwezig is en niet wordt gedicht in de jaren daarna. Tot en met groep 7 blijft het verschil zichtbaar, en ook in de referentieniveaus van de doorstroomtoets in groep 8 komt het terug. Voor het onderwijs betekent dit dat interventies vroeg in de basisschooltijd noodzakelijk zijn. In de bovenbouw is de kloof al structureel aanwezig en verdwijnt deze niet vanzelf. Alertheid op verwachtingen, bewust gekozen didactiek en het versterken van zelfvertrouwen in rekenen zijn daarom vooral in de onderbouw van groot belang. Daarnaast zouden subsidies ter versterking van basisvaardigheden specifiek ingezet kunnen worden om het verschil tussen jongens en meisjes te dichten.


Langerak, P.L., & Krajenbrink, T. (2025). Rekenkloof tussen jongens en meisjes zichtbaar in groep 3 (en die wordt groter). de Liniaal, 3(1), 7-9. Nederlands Mathematisch Instituut
Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs
TIMSS-2023
Golsteyn, B. H., & Schils, T. (2014). Gender gaps in primary school achievement: a decomposition into endowments and returns to IQ and non-cognitive factors. Economics of Education Review, 41, 176-187.
Van den Heuvel-Panhuizen, M. H. A. M., & Vermeer, H. J. (1999). Verschillen tussen meisjes en jongens bij het vak rekenen-wiskunde op de basisschool. CD-Beta Press.
Inspectie van het Onderwijs (2025). Technisch rapport bij Peil. Taal en Rekenen 2023-2024: Einde basisonderwijs en speciaal (basis)onderwijs 2023-2024 [Technisch rapport].