Maatstaven voor schoolresultaten
Signaleringswaarden, gemiddelden en ambities bij lezen, taal en rekenen
Schoolresultaten voor lezen, taal en rekenen kunnen op verschillende manieren worden beoordeeld: aan de hand van de landelijke ambitie van het ministerie van Onderwijs, de signaleringswaarde van de Inspectie van het Onderwijs of het gemiddelde van vergelijkbare scholen. Welke maatstaf een school kiest, bepaalt mede hoe die resultaten worden geïnterpreteerd. Wanneer vooral wordt gekeken naar signaleringswaarden of gemiddelden, kan de ambitie naar de achtergrond schuiven, terwijl de referentieniveaus die aan die ambitie ten grondslag liggen juist bedoeld waren als instrument voor schoolverbetering en voor een betere aansluiting op het voortgezet onderwijs.
Ministerie van Onderwijs: landelijke ambitie
Het ministerie van Onderwijs heeft voor lezen, taal en rekenen de beleidsambitie geformuleerd dat 75 procent van de leerlingen in 2028 het streefniveau 1S/2F behaalt en 100 procent minimaal niveau 1F (Ministerie van Onderwijs, 2024; 2025). De landelijke ambitie van 75 procent staat niet op zichzelf, maar hangt samen met de doorstroom van leerlingen naar het voortgezet onderwijs. De landelijke verdeling van schooladviezen laat al jaren een stabiel beeld zien (zie Figuur 1). Ongeveer 75 procent van de leerlingen krijgt een advies voor vmbo-gt, havo of vwo, terwijl ongeveer 25 procent doorstroomt naar vmbo-basis of vmbo-kader (DUO, 2025). Die 75 procent is dus niet zomaar een beleidsgetal, maar sluit aan bij de feitelijke doorstroom naar het voortgezet onderwijs. Verklaringen voor het verschil (zoals toetskenmerken, klaspraktijk of achtergrondkenmerken) vallen buiten deze analyse.

De resultaten blijven achter
De beheersing van de basisvaardigheden verschilt sterk (zie Figuur 2). Voor begrijpend lezen ligt het aandeel leerlingen dat eind groep 8 het beoogde niveau bereikt relatief dicht bij de ambitie. Voor taalverzorging en vooral rekenen-wiskunde ligt dat aandeel duidelijk lager. Bij rekenen-wiskunde behaalt ongeveer 43 procent van de leerlingen het beoogde niveau, terwijl de ambitie op 75 procent ligt. Juist deze verschillen maken het relevant met welke maatstaf scholen hun resultaten beoordelen: de landelijke ambitie, de signaleringswaarde of het gemiddelde van vergelijkbare scholen.

Inspectie van het Onderwijs: signaleringswaarden
De Inspectie van het Onderwijs kijkt anders naar scholen en gebruikt signaleringswaarden om mogelijke risico’s in leerresultaten vast te stellen (Inspectie van het Onderwijs, 2018; 2024). De signaleringswaarde is geen landelijke ambitie, maar een ondergrens in het toezicht. Het gaat om een samengenomen maat op schoolniveau, gebaseerd op het gemiddelde aandeel leerlingen dat over drie schooljaren de referentieniveaus behaalt.
Die ondergrens is niet voor elke school gelijk, maar hangt samen met de schoolweging. Zo houdt de inspectie rekening met verschillen in leerlingenpopulatie. Doordat deze maat is gebaseerd op een gemiddelde van lezen, taal en rekenen, worden verschillen tussen vakgebieden soms minder zichtbaar. Een school kan daardoor op het totaalbeeld voldoende lijken te presteren, terwijl de resultaten op een afzonderlijk vakgebied achterblijven. De functie van de signaleringswaarde verschilt daarmee van die van de landelijke ambitie van het ministerie van Onderwijs. In de praktijk lopen deze maatstaven gemakkelijk door elkaar.
De schoolpraktijk: kijken naar vergelijkbare scholen
Scholen moeten bepalen met welke maatstaf zij hun schoolresultaten beoordelen. Ze kijken bijvoorbeeld eerst naar de signaleringswaarde van de inspectie: zitten we daarboven? Daarnaast vergelijken zij hun resultaten met die van vergelijkbare scholen, ofwel met ‘scholen zoals wij’. In de praktijk gebeurt dat vaak via vergelijking met scholen met een vergelijkbare schoolweging. Dan gaat het om de vraag of een school, gezien haar leerlingenpopulatie, rond het gemiddelde van die vergelijkbare scholen uitkomt. Ook andere vergelijkingen komen voor, bijvoorbeeld met het landelijk gemiddelde, scholen binnen hetzelfde bestuur of scholen in dezelfde omgeving. Deze benadering sluit aan bij het denken over schooleigen ambities in het primair onderwijs (PO-Raad, 2025). Daarbij geldt dat zulke schooleigen ambities niet zijn afgeleid van de landelijke ambitie van het ministerie, maar ontstaan uit vergelijking met de eigen context of met vergelijkbare scholen.
Ondergrens en gemiddelde raken genormaliseerd
Analyse-instrumenten, dashboards en adviespraktijken sluiten daarbij aan op bestaande normen en verwachtingen. Zij presenteren bijvoorbeeld de signaleringswaarde of het gemiddelde van scholen met een vergelijkbare schoolweging als vanzelfsprekende referentiepunten. Daarmee dragen zij eraan bij dat deze maatstaven in de praktijk worden bevestigd en genormaliseerd. Het gesprek verschuift dan naar wat voldoende of gangbaar is, terwijl ambitie en de aansluiting op het voortgezet onderwijs minder nadruk krijgen. Een school kan dan boven de signaleringswaarde uitkomen (‘we lopen geen risico’), rond het gemiddelde van vergelijkbare scholen scoren (‘we wijken niet opvallend af’) en toch onder de ambitie blijven (dus: ‘ons onderwijs bereidt leerlingen nog onvoldoende voor op het vo’).

Ondergrenzen en gemiddelden worden sturend
Wanneer scholen hun resultaten vooral beoordelen aan de hand van ondergrenzen en gemiddelden van vergelijkbare scholen, kan vergelijken een andere functie krijgen. Dan staat niet langer verbetering centraal, maar de vraag of een school nog binnen de veilige of gangbare bandbreedte blijft. Vergelijken werkt dan eerder behoudend dan prestatieverhogend. Een mogelijke aanwijzing daarvoor is zichtbaar in de ontwikkeling van de signaleringswaarden. Bij de herijking van 2024 zijn deze waarden voor het merendeel van de scholen naar beneden bijgesteld (zie Figuur 3). Omdat de ondergrens zo wordt vastgesteld dat ongeveer 10 procent van de scholen met een vergelijkbare schoolweging eronder zit, beweegt zij mee met het prestatieniveau binnen die groep. Voor ongeveer 94 procent van de scholen (schoolweging > 24) zijn de signaleringswaarden lager vastgesteld; voor ongeveer 6 procent van de scholen (schoolweging < 24) zijn zij hoger vastgesteld (Inspectie van het Onderwijs, 2024; Ministerie van Onderwijs, 2019).
Het belang van het gekozen perspectief
Het verschil tussen deze maatstaven is niet alleen technisch, maar ook inhoudelijk (zie Tabel 1). Zodra resultaten worden verbonden aan de doorstroom naar het voortgezet onderwijs en aan schoolverbetering, verschuift de focus. Dan staat niet de positie van de school ten opzichte van een ondergrens of vergelijkingsgroep centraal, maar of de school leerlingen het niveau heeft meegegeven dat past bij hun schooladvies.
De landelijke ambitie van 75 procent is niet automatisch ook de schoolambitie. Scholen kunnen daarvoor kijken naar hun eigen doorstroomadviezen: naar welke vormen van voortgezet onderwijs stromen leerlingen doorgaans door? Als dat patroon over meerdere jaren stabiel is, ligt het voor de hand dat de schoolambitie daarop wordt gericht. Deze benadering van schoolambitie sluit aan bij de oorspronkelijke functie van de referentieniveaus: het beoogde aandeel leerlingen werd expliciet verbonden aan de verwachte doorstroom naar de verschillende vormen van voortgezet onderwijs; destijds 65 procent naar vmbo-gt, havo of vwo en 35 procent naar vmbo-basis of -kader (Expertgroep, 2009).

Referentieniveaus voor schoolverbetering
Referentieniveaus fungeerden primair als instrument voor schoolverbetering en niveauverhoging, niet als ondergrens voor risicosignalering of als maatstaf om scholen vooral met vergelijkbare scholen te vergelijken. Zij maken zichtbaar welk niveau leerlingen nodig hebben voor verdere schoolloopbanen. Ondergrenzen, gemiddelden en ambities bestaan weliswaar naast elkaar, maar beantwoorden niet dezelfde vraag. Juist daarom is het analytisch relevant om deze maatstaven in de beoordeling van schoolresultaten van elkaar te onderscheiden.
DUO. (2025). Monitor schooladvies en doorstroomtoets 2023-2024. Dienst Uitvoering Onderwijs, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Expertgroep. (2009). Referentiekader taal en rekenen. Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen. Commissie Meijerink. Inspectie van het Onderwijs. (2018). Onderwijsresultatenmodel PO: Nieuwe maat voor de leerlingenpopulatie: Resultaten pilot besturen. Inspectie van het Onderwijs. Inspectie van het Onderwijs. (2024). Beoordeling leerresultaten primair onderwijs schooljaar 2024-2025. [webbron] Inspectie van het Onderwijs. OCW. (2024). Monitor Basisvaardigheden 2024 Funderend onderwijs. Masterplan Basisvaardigheden. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen. OCW. (2025). Monitor Basisvaardigheden 2025 Funderend onderwijs. Masterplan Basisvaardigheden. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen. OCW. (2019). Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 december 2019 nr. PO/17846272, houdende voorschriften in het kader van de meting en beoordeling van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de Wet op het primair onderwijs (Regeling leerresultaten PO 2020). Staatscourant. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-69886.html
PO-Raad. (2025). Stap voor stap naar schooleigen doelen: Een handreiking voor het bepalen van ambitieuze en realistische schooldoelen (Versie zomer 2025). PO-Raad.