Taalontwikkelingsstoornis: modieus label, of terechte erkenning?

Taalontwikkelingsstoornis: modieus label, of terechte erkenning?

De laatste jaren lijkt er sprake van een toename van het aantal kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Deze ontwikkeling baart basisschooldirecteur Bram Janssen zorgen. Volgens klinisch linguïst Martine Broersen-Jong is de toegenomen aandacht voor TOS wel degelijk positief.

Een dubbelbetoog over de toename van TOS-diagnoses en over het belang van een rijke taalomgeving.

TOS bestaat niet!

Tos bestaat niet! -Bram Janssen

Al enige tijd verbazen collega’s en ik ons over de toename van jonge kinderen die met een (vermoeden van een) taalontwikkelingsstoornis (TOS) worden aangemeld op onze school. TOS is een van de snelst groeiende ‘stoornissen’ van dit moment: de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie schat dat momenteel 5 tot 7 procent van de kinderen een taalontwikkelingsstoornis heeft. Dat komt in een gemiddelde klas van dertig leerlingen al gauw neer op één à twee kinderen. Ik ben van mening dat deze diagnoses kunnen leiden tot lagere verwachtingen en dat we als onderwijsprofessionals kritisch moeten blijven op het inflatiegevaar van labels.

Toename van diagnoses TOS

Voor een diagnose TOS moet sprake zijn van aanhoudende problemen met het verwerven en gebruiken van taal, waarbij de taalvaardigheden significant achterblijven bij wat op grond van de leeftijd verwacht mag worden. Daarnaast moeten deze problemen al vroeg in de ontwikkeling aanwezig zijn en kunnen zij niet verklaard worden door andere factoren zoals gehoorverlies, het leren van een tweede taal (NT2), een verstandelijke beperking of een bredere ontwikkelingsachterstand. In de praktijk zie ik echter dat deze criteria steeds ruimer worden geïnterpreteerd, waardoor de term TOS vaker wordt toegepast bij taalproblemen die mogelijk (mede) verklaard kunnen worden door externe of contextuele factoren. Het lijkt alsof we in Nederland de neiging hebben om bij een hardnekkig probleem een label te verzinnen of te verruimen als de bestaande classificaties niet toereikend lijken. Zo is TOS in de dagelijkse onderwijspraktijk mogelijk een soort paraplubegrip geworden voor ‘taalstoornisachtige’ problemen, ongeacht de oorzaak. Ook bij dyslexie hebben we zo’n toename van dyslexieverklaringen gezien, waarbij de criteria voor zo’n verklaring zo zijn opgerekt dat bijna ieder kind met leesproblemen het label dyslexie kreeg. Bij TOS dreigt iets soortgelijks te gebeuren: omdat we steeds meer kinderen tegenkomen die moeite hebben met taal, bestaat de verleiding om maar ruimhartig het label TOS toe te kennen. Iedereen die nét niet in het reguliere taalprofiel past, krijgt al snel dat stempel.

Ik begrijp dat er wel degelijk een solide wetenschappelijke onderbouwing is voor het fenomeen TOS als specifiek taalontwikkelingsprobleem; er zijn kinderen bij wie de taalontwikkeling zonder duidelijke oorzaak ernstig achterblijft en voor wie extra hulp geen overbodige luxe is. Echter, de gemakzucht waarmee sommige leerlingen een stoornis aangepraat krijgen, baart mij zorgen. We moeten waken voor inflatie van diagnoses: een label moet iets betekenisvols blijven en zorgvuldig worden gebruikt, anders verliest het zijn waarde. Met de wijze waarop wij nu een TOS toekennen, ben ik van mening dat een TOS niet bestaat. We lijken het label TOS te hebben verzonnen om een probleem te kaderen, maar dat lost problemen niet altijd op. Het kan problemen juist vergroten.

Lagere verwachtingen door labelen

Een belangrijk risico van een label is dat het onderwijsveld kinderen voornamelijk gaat benaderen vanuit hun tekortkomingen (in dit geval: het ‘tekort’ aan taalvaardigheid als onveranderlijk defect). Zo’n focus op wat een leerling niet kan, leidt onvermijdelijk tot lagere verwachtingen bij leerkrachten en dit kan funest zijn voor de motivatie en het leertraject van een leerling. Natuurlijk zijn begrip en ondersteuning belangrijk, maar we moeten oppassen dat we kinderen niet onbedoeld gevangenzetten in hun label en al helemaal als we de eisen aan dit label zelf hebben opgerekt.

De discussie zou wat mij betreft niet moeten gaan over de legitimiteit van TOS als label. We moeten vooral goed nadenken over de pedagogisch-didactische consequenties. Een label is nooit een oplossing op zich; het is hooguit een signaal dat er bepaalde ondersteuning nodig is. Juist daarom moeten we voorkomen dat een label een kind definieert of dat het als excuus gaat dienen om minder te hoeven presteren.

In plaats van ons af te vragen ‘Wat moeten we met al die TOS-kinderen?’, kunnen we ons als schoolteam beter richten op de vraag: ‘Hoe zorgen we dagelijks en structureel voor een rijk taalaanbod waarvan alle kinderen profijt hebben?’ (zie kader). Ongeacht of een leerling een TOS heeft, geldt dat een stimulerende taalomgeving kinderen vooruithelpt. Door elk kind, met of zonder diagnose, rijke taalervaringen te bieden, kunnen we het verschil maken. Uiteindelijk is ons doel dat kinderen zich optimaal ontwikkelen, niet dat ze het ‘juiste’ label krijgen.

Tips voor een rijk taalaanbod op school
• Zorg voor een taalrijke hoek in elke klas. Bijvoorbeeld een gezellige boekenhoek in de onderbouw, waar leerlingen spontaan boeken kunnen pakken.
• Lees elke dag voor. Dagelijks voorlezen (al is het maar tien minuten) prikkelt de fantasie en vergroot het taalgevoel en de woordenschat van kinderen.
• Praat met kinderen over de inhoud van boeken. Stel vragen, laat ze voorspellingen doen over het verhaal en moedig ze aan hun mening te geven. Het bespreken van teksten ontwikkelt zowel het begrip als de spreekvaardigheid.
• Integreer taal en wereldoriëntatie. Stimuleer dat taal verweven zit in thema’s. Zo wordt taal leren iets natuurlijks en leuks gedurende de hele dag.
• Lees als schoolteam het boek Brieven aan Miyo (2024). In dit boek deelt leerkracht Martin Bootsma inspirerende inzichten over hoe je kinderen warm kunt maken voor lezen en taal. Samen dit boek bespreken kan het hele team bewuster maken van een goede lees- en taalcultuur op school.
• Laat kinderen dagelijks minimaal 25 minuten aaneengesloten stillezen. Dit verhoogt de leesvaardigheid, doordat de woordenschat groeit en het tekstbegrip verbetert.

TOS bestaat wel!

Tos bestaat wel! - Martine Broersen-Jong

Als klinisch linguïst ben ik – namens de vele kinderen en (jong)volwassenen in Nederland die dagelijks met hun forse spraak- en/of taalproblemen worstelen – wel degelijk blij dat TOS eindelijk op de kaart staat. TOS is een relatief nieuwe term, ondanks dat de stoornis al zo’n vijftig jaar volop onder de aandacht is binnen de taalwetenschap en logopedie. In 2014 werd in het werkveld gekozen om de diversiteit aan termen (zoals primaire taalstoornis, ernstige spraaktaalmoeilijkheden, dysfasie) voortaan aan te duiden met één eenduidige term: TOS. Een belangrijke reden hiervoor was de hoge mate van onderdiagnostiek. De eenduidige labeling draagt bij aan grotere maatschappelijke bekendheid van de stoornis, betere signalering en meer begrip (Gerrits et al., 2017). Omdat beperkte taalvaardigheid grote gevolgen heeft voor de cognitieve ontwikkeling, schoolprestaties en sociaal welbevinden, is het voor kinderen met TOS dus absoluut een wenselijke ontwikkeling dat de stoornis tegenwoordig eerder wordt herkend en onderkend.

Complexe diagnose

Hoewel een ervaren logopedist een kind met kenmerken van TOS er in sommige gevallen zo uitpikt, heeft de daadwerkelijke diagnose meer voeten in de aarde. Eerst moet worden uitgesloten dat het taalaanbod, gehoor, gedrag en de algehele ontwikkeling een belemmering vorm(d)en bij het leren van taal. Op papier lijkt dit simpel, in de praktijk is het ontzettend lastig om te bepalen welke factor in de vroege ontwikkeling invloed heeft gehad op de taalontwikkeling, of in hoeverre de achterblijvende taalontwikkeling andere problematiek heeft veroorzaakt. Ook dient te worden aangetoond dat de aangeboden interventie (logopedie, taalstimulering thuis en op school) de taalontwikkelingsachterstand niet wegneemt (NVLF, 2025). Maar als een kind weinig vooruitgang laat zien, ligt dit dan aan de (taal)leermogelijkheden van het kind of aan de niet-optimale taalomgeving waarin het zich dagelijks bevindt?

Als het kind na interventie ‘taalleerbaar’ lijkt, is logopedische behandeling in principe niet (meer) geïndiceerd. Echter, zolang de taaltests (schijnbaar) lage scores aangeven, het kind zich nog niet redt in het Nederlands of de beheersing van de thuistaal nog onduidelijk is, wordt logopedie toch vaak voortgezet, dikwijls op aandringen van school. En aangezien logopedisten taalbehandelingen alleen kunnen declareren onder de noemer ‘taalontwikkelingsstoornis’, is een label al snel geboren.

De kinderen die ‘onterecht’ de diagnose TOS krijgen, zijn naar mijn idee de kinderen die de wind niet mee hebben: lichte problemen met cognitie of talige verwerkingsvaardigheden (zoals auditief geheugen), gehoor- of andere gezondheidsproblemen, een complexe thuissituatie of belemmeringen in aandacht of motoriek. In principe kan een kind met dergelijke uitdagingen ver komen met een rijk taalaanbod in één of meerdere talen. Echter, wanneer dit kind ook opgroeit met weinig taal om zich heen, wordt een goede taalbasis een stuk moeilijker opgebouwd. En zo starten deze kinderen, zonder duidelijke onderliggende stoornis, op de basisschool met (zeer) zwakke mondelinge taalvaardigheden.

Ik ben het volledig met Bram Janssen eens om te denken in mogelijkheden en kansen, en dat een label daar niet altijd helpend bij is. Het creëren van een aangepaste en taalrijke leeromgeving thuis én op school, inclusief extra ondersteuning, is cruciaal, ongeacht de diagnose.

Tips voor het stimuleren van dagelijkse algemene taalvaardigheid
• Voeg volop taal toe aan spel, handelingen en activiteiten (benoem deze en ondersteun met lichaamstaal en visueel materiaal) om taalbegrip te laten groeien.
• Geef juist de kinderen die weinig taal beheersen spreekkansen door vragen aan te passen aan hun taalniveau, om zo het kind te helpen groeien in de taalproductie.
• Bevorder interactie tussen leerlingen door ze te laten praten zowel over schoolvakken als over wat ze bezighoudt.
• Voorzie kinderen met een lage taalvaardigheid van voorkennis door met hen te praten over het onderwerp of de tekst al een keer samen te lezen, voordat ze meedoen met de echte les.
• Toon interesse in alle talen van het kind en benut de thuistaal effectief als kapstok om Nederlands te leren.
• Maak als schoolteam gebruik van de expertise van een logopedist om het taalniveau vast te stellen en een aangepast taalaanbod te bieden.

Rijke taalomgeving als sleutel

Gelukkig staan mondelinge taalvaardigheid en talige diversiteit momenteel volop in de belangstelling. Bij de tips van Janssen wil ik opmerken dat deze adviezen om schoolse taalvaardigheid te stimuleren soms al te hooggegrepen zijn voor taalarme kinderen bij wie de basis ontbreekt. De meest effectieve taalstimulering voor deze groep zit hem in de kleine dagelijkse momenten waarin de leerkracht onderlinge interactie mogelijk maakt en volop taal toevoegt aan alle activiteiten, zodat de basis gevuld wordt.

Als we volop inzetten op mondelinge taalvaardigheid en zo een rijke taalleeromgeving weten te creëren, komt het taalleermechanisme goed op gang. Daarmee verdwijnen gaandeweg de taalachterstanden, en daarmee de overdiagnoses TOS. En daarbij ontstaat er begrip en erkenning voor die kinderen bij wie het leren van taal alsnog niet vanzelf gaat. Want dat TOS bestaat, hoeft niet in twijfel getrokken te worden.

Meer weten?
• Lees meer over TOS op www.allesovertos.nl
• Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (www.nvlf.nl)
• NVLF (2025). Logopedie bij taalontwikkelingsstoornissen [Logopedische richtlijn]. https://nvlf.nl/informatie/inhoudelijke-richtlijnen/
• Gerrits, E., Beers, M., Bruinsma, G., & Singer, I. (2017). Handboek taalontwikkelingsstoornissen. Coutinho.
• Sanders, B. (2023). Taalontwikkelingsstoornissen in het basisonderwijs en speciaal onderwijs. Lannoo Campus.