Het rommelt in de leermiddelenmarkt
Het aantal scholen dat Wetenswaardig gebruikt stijgt. Het is een methode voor wereldoriëntatie, waarin een deel van het taalonderwijs geïntegreerd is. Die stijging is bijzonder, want de leermiddelenmarkt zit potdicht.
De Autoriteit Consument & Markt doet onderzoek naar de rol en positie van de grotere uitgevers en OCW probeert meer regie te pakken. Het rommelt in de sector.
Schoolboeken zijn ervarings- en vertrouwensproducten, concludeert onderzoeksbureau Oberon in een evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken. Veel scholen zijn trouw aan hun methode. De grote uitgevers profiteren daarvan: Malmberg, Zwijsen en Noordhoff. Uitgevers en distributeurs zijn vaak onderdeel van beursgenoteerde en privateequity gedreven concerns. De vaste en langdurige contracten bezorgen aandeelhouders stabiele rendementen. De kosten van leermiddelen bedragen voor het funderend onderwijs circa 600 miljoen euro per jaar.
Scholen zijn vaak verplicht pakketten te kopen die deels ongebruikt in de kliko verdwijnen. Ze hebben beperkte mogelijkheden om tussentijds over te stappen of methodes te combineren. Meer digitale opties leiden ook tot meer technische afhankelijkheid van één leverancier.
De lat moet omhoog
Leermiddelen zijn soms kwalitatief onder de maat, stelde de Onderwijsraad in 2019. Bovendien kiezen leraren vooral op merknaam en routine, blijkt uit een systematische review van ResearchNed. Ze beoordelen onvoldoende op kenmerken van effectief onderwijs of alignment (past het leermiddel bij het doel?).
‘Dat Nederland relatief te laag scoort op leesvaardigheid en mondelinge taalvaardigheid heeft mede te maken met de methodes die leraren hanteren’, zegt Yra van Dijk, hoogleraar moderne letterkunde. ‘Veel leraren hebben lage verwachtingen van leerlingen. Ze kiezen daarom vaak leermiddelen met veel plaatjes, te korte tekstjes en te weinig eigen productie door leerlingen. En de uitgever levert, want de markt bepaalt. Zo houden uitgevers en leraren elkaar in de greep van lage verwachtingen.’
Van Dijk onderzocht samen met Marie-José Klaver zeven methoden voor wereldoriëntatie in het primair onderwijs van onder andere Noordhoff, Zwijsen en Malmberg. Leestekstjes bleken daarin meestal maar 100 tot 150 woorden, terwijl leerlingen voor het PIRLS-onderzoek (naar begrijpend lezen, leeshoudingen en leesgedrag in groep 6, in ongeveer 50 landen) teksten van 500 tot 1000 woorden moeten lezen. Zelden bevatten ze schooltaal, de taal die hoort bij zaakvakken, met woorden als ‘bewering’, ‘veronderstelling’ of het verschil tussen ‘ondanks’ en ‘tenzij’.
Van Dijk: ‘De stap van dagelijks algemeen taalgebruik naar schooltaal wordt zo nauwelijks gezet. Maar om de inhoud van de zaakvakken te begrijpen, moet er een stevige basis zijn: een rijk tekstaanbod, taalrijke oefeningen met vakspecifieke vocabulaire, en ook algemeen taalgebruik – bijvoorbeeld in hele zinnen leren schrijven.’ Ze legt uit dat je daarom in schoolboeken veel oefeningen zou verwachten waarbij de leerling moet navertellen, formuleren, parafraseren, creëren, samenvatten, redeneren, argumenteren of debatteren, en dan het liefst in een doorlopende leerlijn. ‘Dat ontbreekt echter meestal.’
‘De leermiddelenmarkt zit in een vicieuze cirkel van leraren met lage verwachtingen en uitgevers die hun materiaal gedienstig aanpassen. Dat moet doorbroken worden’, aldus Van Dijk.
Ook rekenonderwerpen worden in het basisonderwijs niet altijd aangeboden op het streefniveau, blijkt uit de Staat van het Onderwijs 2024. Die conclusie trok Marc Van Zanten van SLO al eerder in zijn onderzoek naar rekenmethoden. Door gedifferentieerde leerroutes kregen niet alle leerlingen de opgaves op het streefniveau aangeboden. Hij concludeerde: ‘Mogelijk halen meer leerlingen 1S als zij wel de onderwerpen op streefniveau aangeboden krijgen.’ Volgens de Kennisrotonde (maart 2023) presteren leerlingen van leerkrachten die ambitieus zijn en 1S-stof aanbieden, beter.

Gevoelige kwestie
Traditioneel stuurt OCW het Nederlandse onderwijs indirect aan. Zo liet het ministerie in november 2025 een rapport maken door ABDTopConsult, topambtenaren die adviseren bij ‘gevoelige kwesties’. ABDTopConsult concludeerde dat de keuze voor leermiddelen vaak weinig pedagogisch-didactisch of wetenschappelijk onderbouwd is en dat regie op de kwaliteit ontbreekt. Maar, stellen de auteurs, ‘grondwettelijk is terughoudendheid vanuit de overheid gepast’, omdat ‘sturing op de inhoud van leermiddelen niet is toegestaan’. Het is een minimalistische interpretatie van artikel 23 (dat de vrijheid van onderwijs garandeert).
De topambtenaren bepleiten zelfregulatie door de sector in een Kwaliteitsalliantie Leermiddelen. Die is inmiddels voortvarend gerealiseerd. Uitgevers, gebruikers, schoolbesturen en wetenschappers zitten om tafel om over leermiddelen te praten. Deelname is vrijwillig. Het idee is overgenomen uit Vlaanderen waar zo’n samenwerkingsverband drie jaar eerder is opgericht, maar met verplichte deelname: een cruciaal verschil. De Autoriteit Consument & Markt onderzoekt de leermiddelenmarkt en komt eind 2026 met een rapport.
Online leermiddelencatalogus
Veel schoolbesturen wedden intussen op meerdere paarden. OMO bijvoorbeeld, het grootste vo-schoolbestuur van Nederland, startte twee jaar geleden met LVO en VO Campus de bouw van een keuzecatalogus. Deze zou leraren meer overzicht geven in het leermiddelenaanbod en hen onafhankelijker maken van het – gekleurde – advies van distributeurs. Inmiddels is het project opgeschaald en met overheidssubsidie opgepakt door SIVON, een ICT-coöperatie voor het funderend onderwijs die 70 procent van de leerlingen in po en vo vertegenwoordigt. SIVON zit ook in de Kwaliteitsalliantie.
‘De keuze voor leermiddelen is vaak weinig pedagogisch-didactisch of wetenschappelijk onderbouwd’
Education Warehouse voert het project uit. In oktober 2026 gaat de conceptversie van de Keuzecatalogus Leermiddelen open access live, met leermiddelen voor het voortgezet onderwijs. Op termijn volgt het primair onderwijs. ‘Maar wij gaan niet bepalen of een leermiddel goed is’, aldus Winet Roels van SIVON. Wel komen er filters met criteria als duurzaamheid en differentiatie. Voor schoolbesturen die betalen voor de catalogus (1 euro per leerling) komt er ook een visie-keuzetool waarmee ze criteria kunnen vaststellen waaraan een leermiddel volgens hun visie moet voldoen. Die kunnen ze combineren met de keuzecatalogus. Het platform kent geen bestelen distributiesysteem.
Nieuwkomer Neon
Neon, de methodemaker van Blendle-oprichter Marten Blankesteijn, zit straks niet in de Keuzecatalogus. Nog niet, denkt directeur Michelle van Dijk. Neon verwacht in september de eerste leermiddelen te testen, en in schooljaar 2027-2028 klaar te hebben. Neon is een coöperatie van 126 schoolbesturen met 1541 scholen die geld inleggen per leerling (10 euro voor vo, 7 euro voor po) en daarmee leermiddelenmakers in dienst hebben genomen. Als er eenmaal materialen op de site staan, betalen scholen 20 euro per leerling per jaar voor een pakket met alle veertien vakken incluis technische ondersteuning. Voor het po is er rekenen, taal en literatuur, wereldoriëntatie en Engels. Het vo bevat Nederlands, Engels, Frans, Duits, aardrijkskunde, economie, geschiedenis, natuurkunde, scheikunde, wiskunde en biologie. Bij po en vo zijn burgerschap en digitale geletterdheid geïntegreerd in alle vakken. Scholen mogen met het materiaal doen wat ze willen: in één keer als boek afdrukken en jaren gebruiken in een boekenfonds, maar ook aanpassen, modules toevoegen of juist schrappen.
Neon poogt het leermiddelenaanbod te verbeteren en flexibeler te maken, zegt Michelle van Dijk. ‘Wij willen leraren helpen adaptiever les te geven en nieuwe aanpakken te proberen. Omdat we geen winstoogmerk hebben, zijn we niet bang dat klanten afhaken.’ De kwaliteitscriteria die Neon hanteert, zijn gebaseerd op het MeetInstrument LeermiddelenKwaliteit (MILK) van het Centrum voor Leermiddelenadvies CLU en op de kwaliteitscriteria van Vlaanderen. Spannend wordt het wel als leraren zelf Neonmaterialen gaan aanpassen en eigen materiaal uploaden. Michelle van Dijk is er niet bang voor. ‘Leraren passen nu bestaand materiaal aan, alleen zien we dat niet. En wat ze straks uploaden, gaan we monitoren.’
Van de Kwaliteitsalliantie zelf verwacht ze weinig. ‘Nederland wordt niet ineens een ander land. Ministers blijven zeggen: we bemoeien ons er niet mee, dit is de vrijheid van onderwijs. En we mogen de markt niet verstoren, dus we gaan niet ingrijpen. De uitgevers gaan keurig aan tafel zitten, maar er zal niks wezenlijk veranderen.’
Wetenswaardig
De uitgever van wereldoriëntatiemethode Wetenswaardig is evenmin aangesloten bij de Kwaliteitsalliantie. De lesmethode is ontwikkeld door leraar(opleiders) Erik Meester en Norma Montulet van de Radboud Universiteit uit onvrede met bestaande leermiddelen. Meester: ‘Die gaan vaak uit van onderzoekend leren, met een kleine rol voor de leraar. Leerlingen kunnen zelfstandig werken, de teksten zijn kort en van laag niveau en er is weinig samenhang. Het geheel vergt weinig voorbereiding van de leraar. Neem een onderwerp als de Tweede Wereldoorlog, dat zijn vaak drie lesjes: de start, iets over Indonesië en D-day, that’s it, heel oppervlakkig. Een spettercurriculum noem ik het.’
‘De uitgevers gaan keurig aan tafel zitten, maar er zal niks wezenlijk veranderen’
Wetenswaardig zet daar thematisch onderwijs tegenover, zegt hij: een onderwerp een paar weken lang diepgaand behandelen, vanuit directe instructie, leerkrachtgestuurd. ‘Maar je bouwt het steeds meer op in complexiteit en zelfstandigheid. Gaandeweg komt er meer initiatief bij de leerling te liggen, en moet die meer kennis toepassen. Wetenswaardig vraagt wel meer inzet van een leraar.’
Ook de taalmethode van Neon wordt straks thematisch aangevlogen, op basis van het project Wereldverbeteraars van basisschool het Mozaïek in Arnhem. Rijke teksten voor leerlingen in de methode, informatieve teksten voor de leraar die vertelt. De didactische principes worden bewaakt door onder andere Yra van Dijk. De taalmethode wordt meer geïntegreerd, volgens Michelle van Dijk: grammatica, technisch en zelfstandig lezen, vrij lezen. Spelling blijft een aparte lijn.
‘Ik draag Neon een warm hart toe, maar dit is geen goed idee’, vindt Meester. ‘Technisch lezen, spelling en grammatica zijn al moeilijk genoeg voor beginners. Als ze dan ook nog met de inhoud van een tekst bezig moeten zijn, wordt dat cognitief problematisch. Er is geen evidentie dat het een goed idee is.’ De onderliggende criteria van het CLU vindt Meester prima, maar hij zegt: ‘Het zijn algemene richtlijnen waarvan elke methodemaker kan beweren dat ze worden toegepast. Oefeningen worden herhaald en gevarieerd aangeboden bijvoorbeeld, maar welke en hoe vaak? En welke variatie is wanneer gepast? Vaak schiet vakdidactische kennis tekort.’ Wetenswaardig wordt aangevuld met de aparte aanvankelijke leesmethode LetterRijk.