Zó doen we het hier
Hoe een team samen bouwt aan rust, en waarom duidelijkheid juist ruimte geeft.
Het is kwart voor negen. De leerlingen hangen hun jas aan de kapstok in de gang, lopen hun lokaal in en gaan meteen aan de slag met een startopdracht die al klaarligt. Geen geduw bij de deur, geen leraar die boven het rumoer uit moet komen. Het had ook heel anders kunnen lopen, met jassen op de grond en een leraar die de dag begint met sussen. Dat het hier rustig gaat, is geen toeval of een meegaande klas. Het is het werk van een team dat één afspraak waarmaakt: ‘Zó doen we het hier.’
Toch leeft er een hardnekkig misverstand: dat veel duidelijkheid en strakke afspraken een koud, streng klimaat opleveren. Het omgekeerde is waar. Duidelijkheid schept veiligheid; onduidelijkheid schept onrust. Veel leraren, van starters tot routiniers, kennen de dagen waarop orde en aandacht zoekraken en de ene correctie de andere oproept. Dat gebeurt juist daar waar verwachtingen vaag blijven: dan loopt iedereen tegen zijn eigen grens aan. En wie aan zijn grens zit, reageert nu eenmaal niet meer met een glimlach en een rustige stem.
Dat het beter kan, blijkt ook uit internationaal onderzoek: Nederland scoort al jaren laag op het ordeklimaat in de klas (OESO, 2023). Geen reden tot somberte, wel een uitnodiging. Want een klas die rustig én warm is, ontstaat niet vanzelf; die bouw je. Je draait daarvoor aan drie knoppen die elkaar versterken: de balans tussen uniformiteit en autonomie, pedagogisch vakmanschap en leiderschap.
‘Duidelijkheid schept veiligheid; onduidelijkheid schept onrust’
Eén schoolcultuur, sterker dan thuis en straat
Socioloog Iliass El Hadioui (2011) beschrijft hoe een kind opgroeit in een pedagogische driehoek van drie werelden: thuis, de straat (de vriendengroep) en de school. Heeft een school niet helder voor ogen hoe het er bij hén aan toe hoort te gaan, dan zetten die andere werelden de toon. Je hoort het aan de taal op de gang; je ziet het als een ouder net zo lang bij leerkrachten langsgaat tot er ergens een ‘ja’ klinkt. Het resultaat is ruis en onrust. Maar maakt een team samen zichtbaar wat híer de bedoeling is, dan blijken leerlingen en ouders heel goed in staat die verwachtingen over te nemen. Een gedeelde schoolcultuur geeft iedereen dezelfde spelregels, en juist die helderheid maakt de speelruimte groter, zodat een incident niet meteen escaleert.
Uniformiteit ontlast het werkgeheugen
Uniformiteit betekent: gezamenlijke routines en afspraken die alle collega’s op dezelfde manier uitvoeren. Denk aan een vaste manier om de les te starten, om stil te worden en om je door de school te verplaatsen. Die voorspelbaarheid doet meer dan ordehouden. Volgens de cognitieve belastingstheorie heeft ons werkgeheugen een kleine, kwetsbare capaciteit (De Bruyckere et al., 2025). Elke keer dat een leerling moet uitzoeken wat er van hem verwacht wordt, gaat er ruimte verloren die niet meer naar leren gaat. Voorspelbare routines nemen die last weg en geven juist ruimte om te leren, en dat is goed voor alle leerlingen.
Zulke routines ontstaan niet uit zichzelf. Je leert ze de kinderen aan, oefent ze en houdt ze bij. Alleen benoemen is niet genoeg (Bennett, 2022). Het zijn deze routines die de cultuur in je klas dragen.
Toch vinden leraren uniformiteit soms lastig, uit angst een stukje eigenheid te verliezen. En eerlijk is eerlijk: het woord ‘protocol’ heeft in een teamkamer zelden tot gejuich geleid. Pedro De Bruyckere wijst in een interview op het omgekeerde en noemt dat ‘autonomieruil’. Je levert aan de voorkant een beetje autonomie in, je houdt je aan een paar schoolbrede afspraken, en je krijgt aan de achterkant veel terug: minder tijd kwijt aan ordeverstoringen, meer ruimte voor waar je leraar voor bent geworden. Dat lukt alleen samen. Zodra de starter het in zijn eentje moet zien te rooien en de ervaren collega de deur dichttrekt met ‘ik red het wel’, valt het uit elkaar en wordt het vak zwaarder voor iedereen.
‘Lever aan de voorkant een beetje autonomie in en je krijgt er aan de achterkant veel voor terug’
Praat over interactie, niet over ‘probleemgedrag’
De tweede knop waar een school aan kan draaien is het pedagogisch vakmanschap: de bereidheid om steeds in de pedagogische spiegel te kijken. Een mooie graadmeter is je taal. Spreek je over probleemgedrag, dan leg je de verantwoordelijkheid bij de leerling. Spreek je over een interactieprobleem, dan ligt die verantwoordelijkheid in de interactie, bij de leerling én bij jou. Dat tweede perspectief houdt je uit de curatieve reflex, het moment waarop een school van incident naar incident hobbelt, in plaats daarvan richt een school zijn blik op de pedagogische basis (Siebers & Hofman, 2026).
Eén vraag helpt daarbij: wat is goed voor deze ene leerling wat óók goed is voor de hele groep? Wie die vertaalslag maakt, gebruikt elke casus als spiegel voor de basis en maakt die zo, leerling voor leerling, steeds sterker.
• Plan meteen een ijkmoment. Spreek bij elke nieuwe routine direct af dat je na drie weken evalueert. Vraag iedereen om tot die tijd alle feedback op te schrijven; daarna besluit je samen of je herijkt. Zo voorkom je dat ieder stilletjes zijn eigen aanpassingen doet.
• Bouw het aanspreken en herinneren aan gemaakte afspraken op in kleine stappen. Een aanspreekcultuur hoeft er niet meteen te zijn; bespreek de eerste week dagelijks bij de koffie hoe een routine loopt, geef elkaar de week daarna gerichte feedback, maak daarna duo’s met een kijkvraag, en herinner elkaar ten slotte tijdens het moment aan de afspraak, positief en via feedback.
• Geef het goede voorbeeld. De schoolleider doet altijd zelf wat hij of zij van het team vraagt.
Leiderschap: doe wat je zegt
De derde knop is leiderschap, en die begint bij de schoolleider. Wie een team wil meekrijgen in uniformiteit en een sterke pedagogische basis, moet vooral zelf doen wat hij zegt. Pas dan klopt het antwoord op de uitspraak ‘zó doen we het hier’. Een schoolleider spreekt heldere verwachtingen uit naar het team, net zoals het team dat naar de leerlingen doet, en maakt ook duidelijk wat er gebeurt als afspraken niet worden nagekomen. En vooral: hij of zij geeft zelf het goede voorbeeld. Dat voedt het gedeelde geloof dat je samen het verschil maakt, de collective teacher efficacy (Hattie, 2023). Ook steeds vaker collective team efficacy genoemd. Zo bouw je, stap voor stap, aan rust.
‘Praat niet over probleemgedrag, maar over interactie’
Volhouden: kom boven op de golf
Bouwen aan een stevige basis verloopt als surfen op een golf. In het begin kost het veel energie en uithoudingsvermogen om de golf op te komen. Het effect van een routine blijft even uit, en juist dan slaat de twijfel toe: werkt dit eigenlijk wel, en moeten we het niet nu alweer bijstellen? Houd dan vol, want bijstellen kan later altijd nog. Wie doorzet en boven op de golf komt, ervaart de omslag: het effect neemt toe terwijl de inzet die het kost juist afneemt. Vanaf daar surf je. De valkuil: collega’s gaan te vroeg zelf sleutelen aan de afspraken, de lijn loopt uiteen en niemand komt ooit boven. Het kader bij dit artikel laat zien hoe je dat voorkomt.
Rust is geen kwestie van geluk of van een makkelijke groep, maar van een team dat samen dezelfde lijn vasthoudt en blijft vasthouden. Het mooie is: het kan echt. Het begint klein, met één zin die hardop wordt uitgesproken en daarna elke dag wordt waargemaakt. Zó doen we het hier.
Literatuur
• Bennett, T. (2022). Regie in de klas. Phronese.
• De Bruyckere, P. (z.d.). Autonomieruil is de sleutel tot meer rust in de school. Interview door W. Siebers, Expertis Onderwijsadviseurs.
• De Bruyckere, P., Missinne, L., & Janssen, J. (2025). Bijna alles wat je moet weten over lesgeven. LannooCampus.
• El Hadioui, I. (2011). Hoe de straat de school binnendringt. Van Gennep.
• Hattie, J. (2023). Visible Learning: The Sequel: A Synthesis of Over 2,100 Meta-Analyses Relating to Achievement. Routledge.
• OESO (2023). PISA 2022-resultaten. OECD Publishing.
• Siebers, W., & Hofman, J. (2026). Stop de curatieve spiraal: Bouw aan
de basis van gedrag. BSM, 20(1), 22–25.