Vooruit met onderzoek
Begin juli vond in Utrecht het grootste onderwijsonderzoekscongres van Nederland en Vlaanderen plaats. Ver van je bed? Nee, er viel veel te leren over het soortelijk gewicht van onderwijsonderzoek.
Nooit meer doen, zeggen: ‘Onderzoek heeft aangetoond dat…’ Want wat zeg je daar nou precies mee? Dirk van Damme verwoordde begin juli wat menig leraar denkt, tijdens zijn presentatie op de Onderwijs Research Dagen (ORD) op de Universiteit Utrecht. Voor een zaal met louter onderzoekers was het minstens een tegendraadse boodschap die de Vlaamse wetenschapper uitdroeg. En nu? Kunnen we onderwijsonderzoek voortaan negeren? Zeker niet.
Nergens vind je zoveel onderwijsonderzoekers als op de jaarlijkse ORD, beurtelings gehouden in Nederland en Vlaanderen. Van Damme sprak er over het adviesrapport dat hij in september publiceert voor het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (voorheen NRO). Hoewel relatief onbekend in Nederland, is Van Damme een internationaal bekend onderzoeker en consultant, die onder andere voor de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO, bekend van de PISA-rapporten) werkte.
Bekvechten over wat werkt
Aanleiding voor zijn betoog is een veelgehoorde klacht van leraren: het ene onderzoek zegt dit, het andere dat… Wat moeten we met die tegenstrijdige resultaten? Die twijfel belemmert het gebruik van onderzoeksresultaten in de praktijk, ook van de producten die kennismakelaar NKO ‘in de markt zet’. En het leidt vaak ook nog tot polarisatie en bekvechten over wat wel en niet werkt. Dat is jammer, want we weten ontzettend veel over wat kan werken in de klas, maar dat goede advies bereikt lang niet altijd degenen die het kunnen (en misschien wel zouden moeten) gebruiken. Anders gezegd: het is een vertrouwenskwestie – onderwijsonderzoek geniet (nog) onvoldoende high-trust.
Van Damme presenteerde een model waarmee dat vertrouwen in onderwijsonderzoek hersteld en vergroot kan worden. De crux van zijn verhaal: gooi als kennismakelaar onderwijsonderzoek niet alleen over de schutting, maar selecteer, beoordeel, synthetiseer en vertaal het voor de gebruikers. Met een duur woord noemt hij het ‘curatie’.
Maak bij die vertaling ook vooraf duidelijker welke verwachtingen leraren van een bepaald onderzoek mogen hebben. Laat dat verschil ook zien in de vorm waarin je het onderzoek naar hen doorsluist: zo weten leraren dat een praktijkantwoord een ander (lichter) gewicht heeft dan een leidraad (zwaarder). Voor de onderzoeker zelf betekent dat vooral: wees bescheiden in je claims, tenzij iets onomstotelijk is bewezen.
Kanttekening bij rct’s
Onderzoek komt in soorten en maten. Heel lang stonden randomized controlled trials – de zogenoemde rct’s – met stip op nummer één: vaak grote onderzoeken waarin leerlingen of andere deelnemers willekeurig over een testgroep en een controlegroep verdeeld worden om de werking van een interventie te beoordelen. Maar lang niet altijd zijn rct’s bruikbaar voor leraren, aldus Van Damme: ‘Ze zeggen veel over een klein aantal zaken, maar over heel veel andere zaken zeggen ze niets.’ Met andere woorden: ze zijn vaak te groot, te onpraktisch, te algemeen voor het onderwijs van alledag.
Met name de Britse Education Endowment Foundation (EEF) en de Amerikaanse What Works Clearinghouse (WWC) grossieren al jaren in rct’s, die gretig worden overgenomen door overheden en kennismakelaars. OCW baseerde bijvoorbeeld in 2021 de menukaart van het Nationaal Programma Onderwijs (na corona) grotendeels op de producten van de EEF. Maar Van Damme relativeert: ‘EEF en WWC blijven nuttig voor effectvragen, maar vormen geen universele maatstaf. Ze zijn waardevol voor bepaalde claims.’ Al eerder plaatsten onderzoekers Geert Driessen (voorheen Radboud Universiteit), Jaap Scheerens (Universiteit Twente) en Paul Kirschner vergelijkbare kanttekeningen.
Van Damme pleit voor een nieuwe, meervoudige benadering: ook onderzoek waarvan de resultaten met minder zekerheid vaststaan, kan bruikbare kennis bevatten. Er zijn verschillende manieren om naar de werkelijkheid te kijken en die te onderzoeken. Dat is helemaal prima, zolang onderzoekers (of kennismakelaars zoals het NKO) vooraf maar helder zijn over de kennisclaims die zij met een onderzoek doen. Wat denken zij te bewijzen?
‘Kunnen we voortaan alles maar als evidencebased beschouwen, als de onderzoeker maar een disclaimer heeft toegevoegd aan de kennisclaim?’
Kennis op zeven niveaus
Van Damme onderscheidt zeven kennisclaims: 1) beschrijvend/ diagnostisch (wat is er aan de hand?), 2) causaal effect (werkt het in dit geval?), 3) generaliseerbaarheid (werkt het ook elders?), 4) mechanisme (waarom/hoe werkt het?), 5) context en condities (voor wie en wanneer werkt het?), 6) interpretatief en normatief (hoe moeten we het begrijpen en beoordelen?), 7) handelings- of ontwerpclaim (wat is werkbaar?). Een kennisproduct moet expliciet vermelden welke kennisclaim het maakt. En daaruit volgt dat adviezen die op dat onderzoek worden gebaseerd, mogen verschillen: sterker of zwakker, al naar gelang type claim, kwaliteit van het bewijs en mate van onzekerheid in de uitkomsten. Een combinatie van bewijzen maakt een claim vanzelfsprekend sterker. Maar wees voorzichtig: uit een effectclaim (2, werkt het in dit geval?) kan bijvoorbeeld nooit automatisch een handelingsclaim (7, wat is werkbaar?) voortvloeien. Een waarschuwing die ook de lezer van tijdschriften als TOPS of Didactief goed kan gebruiken.
Op de ORD vonden verschillende symposia plaats. Daarin werden soms heikele thema’s besproken. Onderwijsprestaties en erfelijkheid bijvoorbeeld, in een multidisciplinair onderzoek van Hans Luyten (Universiteit Twente), Academisch Medisch Centrum Amsterdam en Centraal Bureau voor Statistiek. Belangrijkste conclusie: erfelijke factoren spelen een grote rol in leerprestaties en het verloop van schoolloopbanen. Het is een spannend onderwerp sinds hoogleraar criminologie Wouter Buikhuisen in de jaren 70 onderzoek deed naar biologische factoren in het ontstaan van crimineel gedrag. Dat leidde tot zoveel ophef dat hij in 1988 de academie verliet.
Aan de andere kant: kunnen we voortaan alles maar als evidence-based beschouwen, als de onderzoeker maar een disclaimer heeft toegevoegd aan de kennisclaim? Of zit er een ondergrens aan onderwijsonderzoek dat leraren met goed fatsoen kunnen gebruiken? Van Damme legt uit dat onderwijsonderzoek in ieder geval aan vijf kwaliteitscriteria moet voldoen: transparantie, coherentie, interne kwaliteit, context en bescheidenheid. En waar Van Damme terecht geen polarisatie wil, pleit hij voor samenwerking en het organiseren van tegenspraak, zowel binnen onderwijsonderzoek als tussen onderzoek en onderwijspraktijk. Debat is goed: onderwijsonderzoek en -praktijk worden beter van onderbouwde gesprekken. Met alle mitsen en maren die Van Damme boven tafel brengt, wordt onderwijsonderzoek waardevoller. De Liniaal zal voortaan dan ook een aantal pagina’s per nummer aan onderwijsonderzoek wijden.
Op de ORD werden ook andere ingewikkelde kwesties besproken, zoals hoe leraren van kleur te werven en te behouden voor de klas, in een presentatie van Yasamin Modhej (Sardes) en Isabel Voets (Universiteit Utrecht). Volgens hun data was in 2021 slechts 5 procent van het Nederlandse lerarenbestand in het basisonderwijs van kleur, tegen 19 procent van de leerlingen. Succesfactoren om dat te veranderen volgens Modhej en Voets zijn onder andere een meer informele werving en inclusieve profilering voor toekomstige leraren. Ook moet er aandacht zijn voor diversiteit in de schoolcultuur, het organisatiebeleid en de professionele ontwikkeling, en moet er meer oog komen voor een thuisgevoel voor leraren van kleur.
‘Met een meerlagig, samenhangend en doelgericht curriculum kunnen kleuters zoveel meer dan gedacht’
Inspirerend was het onderzoek dat Claudio van Hees (Hogeschool Thomas More, Antwerpen) presenteerde over kennisrijk onderwijs aan kleuters (project KLAS). Kort samengevat: met een meerlagig, samenhangend en doelgericht curriculum kunnen kleuters zoveel meer dan gedacht. De sleutelrol ligt bij teams en leerkrachten die er hard aan moeten trekken, maar dan kan onderwijs emanciperend werken. Interessant was vooral dat externe attributie (‘dit kan niet met déze kinderen’) afnam na het zien van succeservaringen. Zien dat het kan, maakt enthousiast.
Ten slotte, hoewel het ver afstond van de dagelijkse praktijk in de klas, was de keynote van Karin Geuijen, lector Netwerken voor Transities aan de Hogeschool Utrecht, spraakmakend. Ze benadrukte het belang van leraren bij het bewerkstelligen van transities – juist zij kunnen helpen om scheurtjes te maken in het maatschappelijk weefsel om anderen te helpen verandering mogelijk te maken, bijvoorbeeld op het gebied van klimaat, energie of duurzaamheid. Dat klinkt abstract, maar in de voorbeelden die Geuijen gaf, deed het onwillekeurig denken aan leraren als Frank van Schaik en Mark Boode. Zij pogen een rolmodel te zijn voor hun leerlingen, door zich in te spannen voor bijvoorbeeld Milieudefensie of Extinction Rebellion. Het zette de zaal flink aan het denken: onderwijs, waarom ook alweer?